Maarten Jungmann, schilder en querulant

Begin twintigste eeuw nam Jungmann geregeld deel aan de door de Rotterdamse kunstacademie uitgeschreven ‘prijskampen’. Over zijn inzendingen werd verschillend geoordeeld. Maar geleidelijk aan begon Jungmann naam te maken, zowel door zijn schilderijen, als door zijn opzienbarend optreden. De ophef door zijn schilderij ‘De man met de hoed op één oor’ gaf een onthullend beeld van het toenmalige Rotterdamse kunstklimaat.

Maarten Jungmann “De man met de hoed op één oor”

Bij de wedstrijd van de Akademie in 1911 gaf de jury unaniem de eerste prijs aan Jungmann voor zijn schilderij ‘De man met de hoed op één oor’. Een stadgenoot wilde het werk kopen, op  voorwaarde dat het opgenomen zou worden in de collectie van Museum Boymans. Zogenaamd omdat het te groot was, weigerde de commissie van toezicht van het museum, waarin ook burgemeester A.R. Zimmerman zitting had, het schilderij. Dit veroorzaakte een publiek schandaal. Men vermoedde dat het schilderij werd geweigerd omdat de afgebeelde, dronken man op de burgemeester leek. In een felle brief aan de gemeenteraad protesteerde Jungmann tegen de weigering van zijn schilderij. Om zijn zaak in de publiciteit te brengen, stuurde hij afschriften van zijn brief aan alle burgemeesters van Nederland. In de vergadering van 11 mei noemde raadslid J.G.L. Nolst Trenité de brief ‘een infaam pamflet’. Het weekblad De Controleur vatte het schandaal samen met de woorden ’Rotterdam op z’n smalst’.

“Aan den Gemeenteraad van Rotterdam.

Hooggeachte Heeren,

Naar aanleiding van de weigering van mijn schilderij, getiteld De man met de hoed op één oor, onlangs het Museum Boymans aangeboden, bevind ik mij verplicht voor enkele minuten Uwe aandacht te vragen: Ik deel U mede, dat de reden der weigering, die Mr. A.R. Zimmerman mij persoonlijk en mondeling gaf, deze was: Dat hij vreesde dat na de aanneming van mijn stuk, de zaal van Boymans, die thans Burgemeesterskamer wordt genoemd, door het publiek zou worden herdoopt in ‘Jungmannzaal’. En – vond hij – dat was volstrekt niet noodig voor zulk een jong schilder […] Heusch heeren, vindt u ook niet, dat des burgervaders zorg voor mijne ziel wat te ver gaat? De Directeur van Boymans, de heer Schmidt Degener, van wien men niet weet aan hem haring of kuit te hebben, gaf mij als reden der weigering: gebrek aan ruimte. Hij zeide mij aan Mr. Zimmerman te hebben voorgesteld, enkele der oud-burgemeestersportretten weg te ruimen en dán mijn werk te plaatsen. Nu schijnt Mr. Zimmerman de Commissie […] beïnvloed te hebben. De Directeur zeide, dat Mr. Zimmerman genoemde portretten niet wenschte weg te nemen en dat de Commissie hem daarin natuurlijk niet afviel. De weigering van Mr. Zimmerman mag dus worden aangenomen als oorzaak der weigering van mijn werk […].

Uit gesprekken met den Directeur kreeg ik de vaste overtuiging, dat hij mijn werk zeer gaarne gebruiken wilde als uitduwmiddel voor de zoo zeer vervloekte kunstlooze portretten der Magistraten. Dergelijke invloed als die van Mr. Zimmerman, van een hier tot zuiver kunst beoordeelen volkomen onbevoegde, is voor ons Kunst-Museum pernicieus [ = verderfelijk] […] Geeft Boymans wat Boymans is….. […]      

Ik hecht eraan hier te verzekeren, dat het geenszins mijne bedoeling is iemand persoonlijk iets onaangenaams te zeggen, zelfs niet den jeugdigen burgervader, ik wensch hem het puikje der puikjes: zooals blijkt uit den laatsten zin van dit epistel, maar die nu onhoudbare zieke toestand moet verbeterd! Ik wil wel gelooven aan de goede bedoelingen der Commissieleden, maar kom! Aan goede bedoelingen zonder kennis hebben wij niets. Op andere plaatsen mogen van de meeste dier leden schitterende kwaliteiten druipen, maar hier niet. Zij dreigen hier eene smet te worden voor de gemeente. Geachte heeren Gemeenteraadsleden, waarom deze dérision [=  iets lachwekkends, fr.] gehandhaafd? Waartoe eene solidariteit U met hen bespottelijk maken? Het is beleedigend voor beschaafden, als men denkt, dat kennis van kunstzaken zoo maar komt aanwaaien. […]

En tot slot, hooggeachte heeren, om met den grooten meester te spreken, drinkt op mijne gezondheid een glas of wat Oranjeboom, Heinekens of Münchener, al naar Uwe differente [= onderscheiden] smaken en ik sta borg, datzelfde te doen op de wederkeerige. Amen! Nog dit: bij remplaceering [= vervanging]  der commissie offreer ik den Raad een  portret van Mr. Zimmerman à la Rembrandt en Saskia:op zijn schoot mejuffrouw Van SSaluut, mijn penseelen wachten.“              (Bron: Gemeentelijke Archiefdienst Rotterdam)

Het grootste deel van Jungmanns werk ontstondin de productieve en succesvolle periode1911-1922. In deze periode had hij tot zijn verhuizing naar Noordwijk vrijwel ieder jaar een tentoonstelling in Rotterdam, vaak bij de Rotterdamse kunsthandelaar D. Vaarties. In de zomer van 1915 kwam Jungmann echter in conflict met hem: ‘Ik sta met den kunsthandel Vaarties-Van Dorp in geenerlei verbinding’, liet hij in een advertentie in de NRC weten. Jungmann was toen in zijn ‘Stormperiode’ en werd ‘onstuimig van aard’ genoemd.   Ook de relaties met verschillende instanties, zoals de gemeente Noordwijk, het Crisiscomité en het Nederlandsch Steuncomité voor Beeldende Kunstenaren, waren veelal problematisch. Op enig moment overlaadde Jungmann de leden van het Crisiscomité met beledigingen. Een enkele keer moest zelfs de politie daarbij ingrijpen. In Noordwijk werd Jungmann ook mikpunt van spot. In het voorjaar van 1935 verscheen een anoniem gedicht met een tekening, voorstellende een bolstaande gescheurde broek, liggend aan de rand van de zee.

Maartens Liedken
Het broeksken dobbert op de zee.
Lang geleden aangemeten
was het op den draad versleten.
Een nieuwe broek is nu mijn beê.
Broeksken op het windrig strand.
Met mijn fel doorwaaide billen
sta ik roekloos hier te rillen.
Zeeërs, wat een grote schand.

Kijk mijn beê wordt snel verhoord.
Uit het zwerk, wat een zegen
valt een groote boekenregen.
Ik kan mij kleeden, zooals ‘t behoort.
Maar te fel was Maartens beê.
Onder eene berg van broeken
kan men nu naar Noordwijk zoeken.
Broekberg geet nu het dorp aan Zee.

Aanleiding voor dit gedicht was de keer dat hij op de boulevard rondliep in een broek die tot op de draad versleten was, waardoor zijn billen zichtbaar waren. Hij kreeg een groot aantal broeken aangeboden. Ook andere anekdotes deden in Noordwijk jaren lang de ronde: Hij hield in zijn eentje protestoptochten met een broodje op een stok, waste zijn voeten onder de pomp bij het uitgaan van de kerk en droeg een geïmproviseerde broek, gemaakt van stro.

Fred van Putten

De Jungmann-expositie is in het museum te bezichtigen tot 1 november 2021, vr. t/m zo. van 13.00 tot 17.00 uur